THEORIE

Een volledig inhaalschema wordt toegepast wanneer er geen bewijs is van enige valide vaccinatie, omdat geen enkel van de aanbevolen vaccins werd toegediend of op een valide manier werd toegediend of omdat dit niet gedocumenteerd is.

Zolang een kind nog geen 5 maanden oud is, blijft het basisvaccinatieschema onverkort gelden en leidt elke vertraging van de vaccinatie alleen maar tot uitstel van de eerste 3 dosissen van het schema.

Vanaf de leeftijd van 5 maanden verschillen de inhaalschema's op een aantal punten van het basisvaccinatieschema:

-> De intervallen tussen 2 dosissen worden gewijzigd in functie van het type vaccin;
-> Het aantal dosissen dat vereist is om een doeltreffende bescherming te verzekeren neemt af met de leeftijd;
-> De inhaalschema's omvatten maximaal 3 dosissen per vaccinatie en kunnen binnen een termijn van 6 à 8 maanden worden afgewerkt, wat de uitvoering ervan in belangrijke mate vergemakkelijkt.

Men houdt in alle gevallen rekening met de vaccins die ter beschikking worden gesteld door de Vlaamse en Franse Gemeenschap.

Zodra de inhaalvaccinatie is uitgevoerd, wordt verder gevaccineerd volgens het basisvaccinatieschema.

 

PRAKTISCH

Rekening houdend met de mogelijkheden van het simultaan vaccineren, met de huidige epidemiologie en de vaccins die ter beschikking staan van het CLBCLBno 2019:

Meer lezen: zie Standaard Vaccinaties 2013 - 2.2 en 2.3

Bron: VWVJ Standaard Vaccinaties 2013 - update juli 2019