Selectief hermeten van groei na 10 à 14 maand en niet na 3 à 6 maand?

Het selectief hermeten van een kind is slechts nodig in een aantal welomschreven situaties:

  • Bij kinderen met een gestalte in de grijze zones, waarbij er bovendien géén alarmerende tekens zijn die tot onmiddellijke doorverwijzing zouden dwingen.
  • Bij kinderen met een duidelijke afbuiging van de groeicurve (méér dan 1 interpercentielbreedte of met een groeisnelheid onder de Pc3), zonder alarmerende tekens

Na uitgebreid overleg met experts werd overeengekomen dat een interval van 3 à 6 maanden te kort is om op een zinvolle wijze het groeipatroon te interpreteren:

  • de groei verloopt immers niet continu met een gelijkaardige snelheid: periodes van snellere groei wisselen af met periodes van tragere groei
  • bovendien is de invloed van een (kleine) meetfout bij een kort tijdsinterval zoals 3 à 6 maanden groter (en dus storender) dan bij een langer tijdsinterval

De Vlaamse Groeicurven omvatten dan ook een curve 'Jaarlijkse toename in gestalte' die bruikbaar is voor meetintervallen begrepen tussen 10 maand en 14 maand (gezien ze opgesteld is vanuit dergelijke meetintervallen).

Er is echter geen enkele wetenschappelijke basis om een bepaalde graad van afbuigende groei als ernstig of als onschuldig te begrijpen. Maar de curve 'Jaarlijkse toename in gestalte' geeft wel een waardevol vergelijkingspunt om na te gaan wat nog normaal is en wat abnormaal is.

Een afwijkend groeipatroon is een belangrijk maar tegelijk zeer aspecifiek klinisch teken van een onderliggende (chronische) ziekte, BEHALVE dan van het syndroom van Turner en van groeihormoontekort: daar is de kleine gestalte en het gestoorde groeipatroon zeer kenmerkend en typisch, soms zelfs het enige dat opvalt. Dat betekent dat een groeivertraging zelden een eerste teken is van onderliggend lijden. Doorgaans zijn er reeds klachten, symptomen en andere klinische tekens van de ziekte. Als veiligheidsmarge wordt in de beslisbomen mede daarom steeds een klinische evaluatie ingelast. 
Een afbuigend groeipatroon heeft echter vaak een onschuldige verklaring (familiale aanleg, meetfout, ...).

Als de arts een selectief consult voorstelt na 3 à 6 maanden, dan zou dit in feite een klinische herevaluatie moeten zijn en niet alleen een herwegen en hermeten van de leerling. De aanleiding van het selectief consult is dan dat er klinische redenen zijn (of twijfel bij de arts omtrent een klinisch teken of symptoom). De verwijzing die hierop volgt is er dan één die haar oorsprong vindt in een verontrustend gegeven zoals bv. zwelling van de lever, klierpakketten, gewrichtsontsteking, uitgesproken vermoeidheid, ... Het doorverwijzen enkel en alleen op het verder discreet afbuigen (na 3 à 6 maand) wordt niet geadviseerd bij gebrek aan wetenschappelijke basis en wordt ook niet ondersteund door experts. Het te snel plannen van een selectief consult na  een kort tijdsinterval zal vaak worden ingegeven door onzekerheid omtrent een bepaalde situatie. (Daar is uiteraard niets mis mee. Oefening baart bovendien kunst. Maar blijft de twijfel, dan is het goed deze concreet en gepast mee te delen naar de ouders.)

VWVJ november 2006

-56 personen vinden deze informatie nuttig
Groei en puberteit

Andere vragen